| boomvarens | ||||||||||
- Botanic Gardens - Wikipedia |
Er zijn duizenden verschillende soorten varens die verspreid over de hele wereld voorkomen. In het bijzonder zijn ze overvloedig in regenwouden (tropisch of
gematigd), omdat hier een van de belangrijkste vereisten aan de leefomgeving van de varen, vocht, is gegarandeerd. Varens vormen de klasse Polypodiopsida. Deze klasse
bestaat uit 7 ordes waarvan de orde van boomvarens (Cyatheales) er één is. Deze orde is opgedeeld in 7 families waaronder Cyatheaceae en
Dicksoniaceae. Boomvarens hebben meestal een boomachtig uiterlijk door de vrij dikke, onvertakte stam. Die stam is echter te vergelijken met die van een boom; de
verschillende houtvaten worden ondersteund door luchtwortels die een soort mantel vormen. Net als andere varens vermenigvuldigen de boomvarens zich door middel van sporen; ze krijgen geen bloemen en vormen geen zaden. Deze haploïde sporen worden door de diploïde volwassen varen geproduceerd door middel van meiose in de sporendoosjes. Wanneer de sporendoosjes rijp zijn, barsten ze open en laten de sporen vrij. Uit de spore ontstaat een haploïde voorkiem, een hartvormig blaadje dat over fotosynthese beschikt. Op de voorkiem worden archegonia en antheridia gevormd, waar respectievelijk de eitjes en de spermatozoïden worden gevormd. Onder vochtige omstandigheden kunnen de beweeglijke flagellate zaadcellen zich verplaatsen en vindt bevruchting van de eicellen plaats. Uit een bevruchte eicel groeit dan een varenplant. Deze zit eerst op de voorkiem, maar vormt later zelf wortels. Volgens de Australian National Botanic Gardens komen in Australië 3 soorten boomvarens voor waarvan Dicksonia antarctica (fam. Dicksoniaceae) de grootste is. Deze boomvaren groeit in het zuidoosten van Queensland, langs de kust van New South Wales en Victoria en in Tasmanië. De soort is endemisch en kan tot 15 meter hoog worden. De beide andere soorten zijn volgens Wikipedia Cyathea australis en Cyathea cooperi (fam. Cyatheaceae).
Op het Noorder- en Zuidereiland van Nieuw Zeeland komen 8 soorten boomvarens voor: 4 van het geslacht Cyathea en 3 van het geslacht Dicksonia. Laatstgenoemde soorten zijn te herkennen door de haren op de bladstelen. Die haren onbreken bij Cyathea-soorten; deze soorten hebben een soort schubben op de bladstelen. Op 2 soorten na (Mamaku en Punui) zijn alle soorten endemisch. C. medullaris (Mamaku) Grootste boomvaren (tot 20 meter). Komt op beide eilanden algemeen voor; op het Zuidereiland vooral in het westen. Bij jonge planten vallen de bladeren er nog niet af, later gebeurt dat wel en dat laat een lidteken achter. C. dealbata (Ponga, silver fern) Middelgrote boomvaren (tot 10 meter). De onderkant van het blad maken een zilverkleurige indruk. Bladeren die afvallen laten een stompje achter waardoor de stam een ruw, raspachtig uiterlijk krijgt. Een van de nationale symbolen van Nieuw Zeeland. C. smithii (Katote, soft fern tree) Redelijk kleine boomvaren (tot 8 meter) met een iets platte kroon. Opvallend zijn de dode bladeren die langs de stam hangen. C. cunninghamii (Punui, gully tree fern) Lijkt op de Mamaku maar is smaller en de bases van de afgevallen bladeren zijn duidelijk zichtbaar op de bijna zwarte stam. Komt niet algemeen voor maar in kleine groepen, voornamelijk aan de kust. C. colensoi (creeping tree fern) Kleine, vaak liggende boomvaren (tot 1 meter). De duidelijk zichtbare haren op de bladstelen geven de plant een vachtachtig uiterlijk. D. squarrosa (Wheki) Middelgrote boomvaren (tot 7 meter). Komt op beide eilanden redelijk algemeen voor. Bladeren vallen af en blijven als roestbruin tapijtje liggen. D. fibrosa (Wheki Ponga) Middelgrote boomvaren (tot 6 meter). Produceert veel bladeren tegelijkertijd (tot 30 per keer). De afgestorven bladeren blijven in een dikke laag hangen waardoor de stam voor een groot deel onzichtbaar is. D. lanata (Tuakura, woolly tree fern) Kleine, soms liggende boomvaren (tot 2 meter). Vanaf Whangarei zuidwaarts komt de liggende versie voor, in Northland de rechtopstaande. Dunne bladstelen met een harige basis. Bron tekst: Bateman field guide to wild New Zealand & Wikipedia (2014).
|